woensdag 21 mei 2008

HOOFSTUK 14


HOOFSTUK 14

ONRUSTIG!

Mijn hoofd en mijn lijf voelen angstig rustig aan. Alsof alle negativiteit van eerder is verdamt naar een plek waarvan ik niet wil weten waarheen. Laat het wegblijven, laat het wegblijven denk ik terwijl ik slaperig in mijn ogen wrijf. De rust in hoofd en lichaam voelen als een welkome verrassing alsof het jaren geleden is dat ik zo lekker geslapen heb. Ik ben niet langer moe en voel me fitter dan ik me ooit gevoeld heb. Hoewel de slaap nog om me heen hangt voel ik me beter dan ooit.

Ik probeer rechtop te gaan zitten maar voel dat Sofie haar plekje heeft ingenomen op mijn heup en Karel ligt in het holletje achter mijn benen tegen mijn achterwerk. Ik vraag me plotseling af hoe hij zou reageren als ik plotseling een scheet zou laten. Ik probeer het me voor te stellen en moet dan keihard lachen. Het idee dat Karel zich een ongeluk schrikt als ik een scheet laat en dat Karels haren daar recht van overeind gaan staan. Ohw mijn god Dewey, jij bent raar gil ik gierend van het lachen en val bijna van de bank. Ik vergeet dat ik net wakker ben en lig helemaal dubbel. Sofie daarentegen vindt dat er niks te lachen valt want ze vindt de trilling in mijn lichaam van het lachen maar niks en springt van de bank om brokjes te eten. Karel blijft rustig liggen waar die ligt. Normaal is het Karel die overal van schrikt maar deze keer is Karel erg rustig. Alsof hij opgelucht is dat de lucht in mijn hoofd is opgeklaard.

Als ik uitgelachen ben lopen er weer tranen over mijn wangen maar deze keer van puur plezier. Ik veeg ze af met de rug van mijn hand en dan aan mijn pyamabroek. Zo Dewey, tijd voor een douche.

Het is al een uur in de middag als ik onder de douche vandaan kom. Ik droog mijn haren af en sta voor het besluit over wat ik aan ga trekken. Onwillekeurig moet ik denken aan het genante moment met de rode versleten bh en Tim. Ik kreun lichtelijk bij de gedachten en ik voel het schaamrood weer naar mijn wangen stijgen.

Wat ga ik vandaag aantrekken? Sta ik dan, voor mijn kast. Hopen met kleding ne ik heb geen idee wat ik aan wil. Ik raak er van door de war. Zoveel leuke dingen en zoveel kleuren en in welke stemming ben ik eigenlijk? Daar is altijd moeilijk een peil op te trekken bij mij want mijn stemming wisselt van het ene op het andere moment. Ik strijk mijn nog natte haar naar achteren met de gedachten er een vlecht in te maken voor de spiegel. Mijn handdoek om mijn lichaam geslagen sta ik onrustig te kijken naar wat ik aan zou kunnen trekken.

Als ik net besloten heb dat ik mijn felroze minirok aan trek met een knalgeel shirtje gaat de telefoon. Ik krijg meteen een brok in mijn keel. Ik heb een hekel aan bellen. Net als gebeld worden. Altijd als die telefoon gaat klopt mijn hart meteen in mijn keel. Ik snap niet goed waarom maar ik heb het al mijn hele leven. Ik verstijf als het ware en verander spontaan in een robot die niet kan nadenken en neem dan vaak automatisch de hoorn van de haak. Of ik doe het niet en laat ik de telefoon lekker overgaan en doe ik gewoon mijn eigen ding. Alles wat mijn privacy kan verstoren geeft me een gevoel van inbreken diep van binnen.

Het gerinkel van de telefoon is erg luid en indringend. Ik heb me vaak genoeg afgevraagd of ik het geluid niet zachter kan zetten maar ik weet nog steeds niet hoe. Verstijfd loop ik van de kast naar de huiskamer waar de telefoon nu eindelijk is opgehouden met rinkelen. Mijn hart tikt sneller dan gewoon en gespannen probeer ik adem te halen. Voor de zoveelste keer vraag ik me af of ik wel nornaal ben. Het was de telefoon maar Dewey zucht ik bij mezelf. Na een paar minuten kan ik eindelijk ontspannen. Ik ben vandaag eigenlijk niet bereikbaar besluit ik.

Maar stel dat het Tim was? Als het Tim was heb ik hem ook gemist. Misschien belt Tim me wel mobiel denk ik hoopvol. Dan kan ik tenminste zien wie er belt. Dat voelt zoveel veiliger bedenk ik me opgelucht. Tim zal het zeer zeker op mijn mobiel proberen. Ja zucht ik opgelucht. De spanning van het overgaan van die verrekte telefoon is nu zo goed als verdwenen en ik ga verder met waar ik mee bezig was. Ik trek aan wat ik van plan was en vlecht mijn lange haar in een enorme dikke vlecht. Maar zoals altijd springen er altijd wel wat pieken tussen uit die langs mijn gezicht blijven bungelen. Ze kriebelen plagend tegen mijn huid.

Precies om half twee gaat mijn mobiele telefoon over. Tim denk ik meteen in lichte paniek en kijk om me heen waar ik mijn mobieltje gelaten heb maar ik kan hem echt nergens vinden. Ik hoor het geluid ergens van de eettafel komen maar die ligt zo vol met papieren en troep dat ik hem niet meteen zie liggen.(opruimen is natuurlijk een optie Dewey klinkt het irritante overbekende stemmetje in mijn hoofd waar ik niet naar luisteren wil) Ohw ohw ohw, Tim waar ben je gil ik bijna in paniek, niet ophangen niet ophangen. Please en als een gek licht ik alle papieren van de tafel maar geen mobiele telefoon. Shit shit shit, kloteding scheld ik en ik probeer rustig te blijven... Te luisteren naar waar het geluid vandaan komt, maar tot mijn grote irritatie hoor ik niks meer. Tim heeft vast opgehangen denk ik pissig. Ik kan het niet laten om met mijn vuist op de tafel te slaan. Godverdomme vloek ik lelijk en ik schud mijn hoofd woest van links naar rechts.

Zucht, dan niet bedenk ik me schouderophalend maar ik kan het niet laten rusten. Uiteraard voel ik de lichte irritatie weer groter worden en krijg ik de neiging om alle spullen van de grote tafel te maaien maar ik heb me net gedouched en voel me fris en fruitig, ondanks de hitte buiten. Wel voel ik dat mijn haar door de beweging lichtelijk los begint te raken uit de vlecht en ik besluit rustig alle papieren op de grote tafel op te lichten en rustig naar mijn mobiel te zoeken. Als ik mijn agenda optil (die ik al een week kwijt was) ligt daar mijn mobiele telefoon onder. Net op tijd voor ik weer een aanval van pure onredelijkheidkrijg bedenk ik me opgelucht. Ik ben de aanval van onredelijkheid van vanochtend nog niet vergeten. Als ik op het punt sta om even op de bank te gaan zitten gaat mijn mobiel weer over. Ik voel de trilling er van in mijn hand.

Even overweeg ik de telefoon toch maar niet op te nemen maar de gedachten dat ik Tim zijn stem zou missen geeft me een vervelend gevoel/ Uiteraard wordt zijn naam weergegeven op het scherm wat me een veilig gevoel geeft. Ik betrap mezelf er op dat mijn hart bonst als een bezetene en dat mijn handen trillen. Ik haat telefoneren. Zelfs als het Tim is. Maar ik neem hem op.

Soms als ik de telefoon opneem herken ik niet meteen de persoon die belt. Zelfs al staat het met grote letters op het scherm. Heel stom. Het gaat me dan te snel. De zenuwachtigheid overheerst alles. Het is soms gewoon gegant want soms is het iemand die je al jaren kent. Nou ken ik niet zoveel mensen die mij zouden willen bellen maar als ze bellen word ik standaard zenuwachtig.Trillende handen en een bonzend hart.

Tim? Ben jij dat? Ik hoor mijn eigen stem lichtelijk trillen maar ik ben mijn zenuwen de baas. Ik voel me zo ongemakkelijk maar word vrijwel meteen rustig van Tim zijn diepe warme stem.

maandag 19 mei 2008

HOOFDSTUK 13


HOOFDSTUK 13

ZO MOE

Het doet me niks. Totaal niks. Dan is de keukenvloer maar een teringzooi maar ik heb er totaal geen last van. Ik hoor geen gekraak onder mijn pantoffels van gebroken glas. En ik hoor evenmin het onrustige gemiauw van Karel en Sofie. Ik sluit de keukendeur wel af voor hun kwetsbare pootjes maar ik wil het niet opruimen. De confrontatie met mijn eigen woede kan ik nog niet aan. Soms word ik gewoon bang van mezelf en begrijp ik amper waarom ik zo boos word op mezelf zucht ik terwijl ik met een gebaksvorkje mijn suikerklontjes door mijn koffie roer. (nog zo iets, zou vaker kunnen afwassen)Er liggen gewoon geen theelepeltjes meer in de la.

Ik weet niet waarom ik zo boos word. Ik wordt boos als me onrecht wordt gedaan of als iemand vuil naar me kijkt en vooral als ze me voor rooie uitschelden maar wie wordt er nou boos om een kwijtgeraakte koffiepot? Uiteraard Dewey Potter. Ik schud verdrietig en verbaasd mijn hoofd als ik terug denk aan de tirade van een half uur geleden.

Alles moet gaan zoals ik het wil. De koffiepot moet op zijn plek en het is vooral niet mijn schuld dat dat pokkeding dan verdwenen is. Het is de schuld van de koffiepot die dan plotseling pootjes heeft gekregen en is weggelopen. In mijn fantasie zie ik kleine kaboutertjes op pinklengte stiekem om me lachen in de voorraadkast. Die Dewey, god wat is dat kind slordig. Zullen we haar eens een lesje leren??? Zullen we de koffiepot voor haar verstoppen???? In gedachten hoor ik irritante elfengelach dat klinkt als een exprestrein in een tunnel. Heel anders dan het tinkelende gelach van elfjes in sprookjes in films op tv. Een nachtmerrie. Het klinkt als een nachtmerrie. Natuurlijk lag het mysterie van de verdwenen koffiepot niet bij Dewey.

Normale mensen worden boos als hun fietsband leegraakt, of als er getoeterd wordt in druk verkeer, of als er op hun tenen gestaan wordt. Of er wordt bewust een middelvinger naar hun uitgestoken. Zou ik ook woest van worden. Maar ik word overal boos om. Vooral als ik moe ben lijk ik niks te kunnen hebben. Ozo snel geirriteerd. Of als ik wat kwijt ben moet ik altijd schelden. Wat ik niet meteen vind maakt me dus kennelijk razend. En waarom? Ik snap er geen hout van. Misschien wil ik het ook wel niet begrijpen. Het is te moeilijk. Zuchtend zet ik mijn lege kop koffie op de tafel die vol ligt met allerlei troep. Van schone was tot en met kopjes koffie van dagen gelden waar wel theelepeltjes naast liggen.

Stiekem moet ik grinniken om het idiote idee dat ik mijn koffie roer met een gebaksvorkje. Ik, ik ben raar, ik ben echt niet normaal denk ik dan droevig.

Plotseling schiet in in een enorme schaterlach om zoiets idioots als roeren met een gebaksvorkje. met grote ogen kijk ik naar het recentste kopje koffie van 2 minuten geleden en ik lach me een stuip. Ik kan er niks aan doen maar de tranen lopen over mijn wangen van de lol. God echt iets voor mij gier ik terwijl ik me over de bank laat rollen. Karel en Sofie kijken elkaar aan met blikken van ze heeft het weer. Als ik eindelijk ophou met lachen ontsnapt er een snik uit mijn neus.

Verdomme Dewey huil ik nu en voel dat het lachen me duidelijk is vergaan en dat ik plotseling moet huilen. Het verdriet van binnenuit uit is heel duidelijk vermengt met frustratie. Wat, wat is er toch met mij? Waarom kan ik geen controle houden? Waarom is het te moeilijk? Voor de zoveelste keer in mijn leven zou ik wensen dat ik normaal was. Doodnormaal. Iemand anders was. Gewoon iemand anders.

Als een zielig hoopje leg ik mijn hoofd op het kussen van de bank en leg mijn benen opgetrokken onder mijn billen. Ik ben zielig. Zo vreselijk zielig. Ik merk amper dat de zon schijnt en dat de dag zo mooi is vandaag. Er gaat van alles door me heen. Tim zou me nooit begrijpen, ondanks dat zijn zusje ook ADHD heeft. En Hollie??? Hollie, die is vast zo punctueel denk ik hatelijk. Haar kleding was onberispelijk, vast net als haar huis. Alles op een vaste plaats. Zou Hollie ooit haar koffiepot kwijt zijn of haar sleutels? Vast niet bedenk ik jaloers. Ik kan er niks aan doen maar ik moet lelijk over haar denken. Hoe vriendelijk ze ook tegen me was in dat cafee.

Ik voel dat de negativiteit weer grip op me krijgt en dat het zich om me heen wringt als een wurgslang en ik kan er onmogelijk uit ontsnappen. Ik kan niet langer vriendelijk zijn en lief en alles en iedereen is plotseling klote. Ik voel me klote! Ik ben in staat om iemand een loer te draaien. Mensen opzij te duwen die me in de weg lopen, conflicten aan te gaan en te vechten als iemand me zou uitdagen. En hier lig ik dan, vol met negatieve energie die ik amper kwijt kan. Mijn lichaam tritl als een rietje. Hier op de bank en het enige wat ik kan doen is huilen. Woest sla ik met mijn vuisten tegen de bankleunig en ik wil mezelf bijten. Zo hard bijten om enigsins weer iets te voelen. Weer terug te komen in de realiteit maar het gaat maar wat moeilijk. Ik vind dit zo moeilijk.

Langzaam voel ik dat de kracht uit mijn lichaam verdwijnt en dat ik slapjes mijn armen laat hangen waar ik zojuist bijna de bankleuning mee doormidden had geslagen. Ik voel me moe. Zo vreselijk moe. Ik gaap en voel een laatste traan langs mijn wang lopen. Eentje maar die een spoor trekt via mijn neus naar de stof van de bank waar deze intrekt en ik val in een rusteloze slaap.

zaterdag 17 mei 2008

HOOFDSTUK 12



HOOFDSTUK 12

KWIJT!

Afspraken vandaag? vraag ik me slaperig af terwijl ik me onrustig van mijn buik op mijn zij draai. Mijn haar ligt als een enorme waterval over mijn kussen en een paar haren plagen mijn wang. Mmm, kreun ik lichtelijk. Ik wil niet.... Ik wil niet. Het bekende ik wil niet uit bedgevoel overvalt me zoals iedere ochtend om vervolgens het trapritueel na te volgen. Ik kijk er naar uit denk ik licht sarcastisch en weer draai ik me om maar deze keer op mijn rug. Nee geen afspraken bedenk ik me zeer opgelucht. Een teken dat ik nog eventjes kan blijven liggen.

Maar ik voel een lichte onrustigheid in mijn lichaam die het me onmogelijk maakt om rustig te blijven liggen. Als ik op de wekker kijk zie ik dat het nog maar acht uur is. Ohw wat vroeg nog en ik kan niet meer slapen. Ondanks het ik wil niet gevoel besluit ik door te zetten en toch maar op te staan. Met moeite ga ik rechtop zitten en een enorme gaap ontsnapt uit mijn mond.

Plotseling denk ik aan gisteravond, aan Tim en aan hoe we gekust hebben. Hij, hij heeft me gekust denk dromerig. Ohw hij heeft me echt gekust. Mijn handen glijden als vanzelf naar mijn lippen en een warm prettig gevoel vult mijn buik die ik herken als vuurvliegjes. Ik ben dol op vuurvliegjes denk ik dromerig. Oja.... Ik ben dol op Tim zijn lippen. Mmmmmm.Mijn vingers volgen het spoor waar hij ze met zijn lippen geraakt heeft. Gekust tot de schemering in viel en het was al donker toen we elkaar eindelijk loslieten bedenk ik me blozend. Hi hi hi. Een grote glimlach verschijnt er om mijn lipen.

Plotseling is het niet meer vervelend om mijn bed uit te komen. Ik gooi het dunne roze laken van me af en gooi mijn benen over de rand van mijn bed. Even kijk ik naar de andere kant van het bed wat nog steeds niet gerapereerd is en ik schiet spontaan in de lach. Hoe kan ik daar toch doorheen zakken grinnik en ik probeer kreunend en nog stijf van de slaap te gaan staan. Als Tim en ik elkaar zo blijven kussen als we gister deden denk ik blozend zal het vast niet lang meer duren voordat, voordat...... Ik durf de zin niet af te maken van verlegenheid. Zelfs niet in gedachten.

De wereld is leuk vandaag besluit ik en ik trek de gordijnen open en het volle zonlicht vult meteen de slaapklamer. Welkom zon roep ik terwijl ik de ramen opengooi en de frisse zomerwind in me opsnuif. Mijn neus hangt net over de gevel waar de duiven de zon ook begroeten met hun gekoer, net als ik.

Het is nu al te voelen dat het vandaag net zo warm wordt als gisteren maar dan nog een tikkeltje warmer. Nu nu heb ik trek in koffie bedenk ik en al schuifelend met mijn nog steeds verstuikte enkel schuifel ik door de gang naar de trap waar de 30 treden nachtmerrie begint. Maar ik loop al zonder krukken. Dankzij de hulp van Tim en mijn eigen inzet natuurlijk denk ik trots. Ik heb zin in de dag en ik ben het ik wil niet gevoel compleet vergeten.

De veiligste manier om van de trap af te komen is zittend zoals ik tegenwoordig elke ochtend doe sinds mijn enkel verstuikt is. Ik kan niet anders. Ik hou me stevig vast aan de trapleunig en laat me dan heel voorzichtig zakken en ga op de overloop zitten met mijn voeten op de volgende tree. Ik neem geen ricico,s en kruip dus via mijn bibs gewoon rustig van de trap heel langzaam omlaag. Zo voel ik me het veiligst. Ik hoef nergens bang voor te zijn stel ik mezelf gerust. Een verstuikte poot heb ik toch al denk ik er sarcastisch achter aan.

Langzaam schuivel ik op mijn billen tree voor tree naar beneden. Bij de laatste tree trek ik mezelf aan de trapleunig weer op. Ziezo denk ik tevreden en kijk omhoog naar die vreselijke stijle trap. Rotding denk ik zuchtend en grijp naar mijn krukken die tegen de muur staan naast de wc. Dan besluit ik ze te laten staan. Moek er mee? denk ik opstandig.

Mopperend trek ik mijn pyamabroek omhoog die bijna van mijn kont afzakt en ik loop naar de keuken waar Karel en Sofie mopperend miauwend om eten zitten te bedelen. Koffie, eerst koffie zeg ik kattig en de katten weten meteen dat ze niet aan mijn kop moeten zeuren. Maar Sofie laat zich niet zomaar negeren en gaat zoals iedere ochtend voor me voeten zitten net zolang tot ze voer in haar bakje heeft. Haar Poten staan scheef en haar snuit staat arrogant omhoog. Haar staart zwaait gevaarlijk heen en weer maar het maakt totaal geen indruk op me. Sofie gaat heen roep ik en ik geef haar een duw en ze loopt verontwaardigd miauwend opzij. Ze gaat pissig in het hoekje van de keuken zitten om haar vacht te likken alsof ze nooit aandacht krijgt. Karel daarentegen slaat onze machtstrijd gapend gade en het doet hem niks of ie straks of nu eten krijgt want eten krijgt ie toch. Neem een voorbeeld aan Karel bedenk ik hoofdschuddend als ik verder de keuken in schuifel.

Ik heb nog altijd vreselijke de neiging om te hinkelen en de stijfheid in mijn enkel is nog goed voelbaar. Alsof er allemaal kranten tussen zitten die me weerhouden om hem recht neer te zetten. Mijn voet lijkt wel een strijkplank. Met wat oefenen en wat goede moed zou ik volgende week vast weer normaal kunnen lopen. Ik begin een grafhekel aan die krukken te krijgen.

Mijn vrolijke stemming verandert in grmimig en mopperend zoek ik de koffiepot die ik natuurlijk nergens kan vinden tussen al die troep op de plank. Ik kan er niks aan doen maar ik verlies vrijwel meteen mijn geduld. Verdomme vloek ik ontevreden druk woest zoekend over de keukenplank maar ik kan dat verdomde ding niet vinden.

Ondertussen voel ik de irritatie groeien in mijn lijf. Mijn handen beginnen licht te trillen en mijn hoofd lijkt elk moment uit elkaar te barsten.. Mijn ogen zoeken onrustig over de keukenplank en mijn handen verplaatsen alles waar hij achter zou kunnen staan. Steeds als ik de koffiepot hoop te vinden en het is weer iets anders plaats ik het opgepakte voorwerp hardhandig terug op zijn plek. Ik hoor de plank amper kraken onder mijn kracht. Stomme idiote klotepot scheld ik nu alsof hij daardoor te voorschijn zou komen bedenk ik er sarcastisch achter aan. Ik voel mijn wangen rood worden van woede Mijn woeste zoektocht levert helaas niks op en zelfs vloeken lijkt niet te helpen. Het lijkt het alleen maar erger te maken. (Gek he Dewey)? klinkt het in mijn achterhoofd. Houdt je bek schreeuw ik tegen het stemmetje in mijn hoofd. ik wil het niet horen. ik wil het echt niet horen.

Plotseling maai ik alle spullen van de plank met mijn handen. Ik heb er geen controle over. Het gebeurt gewoon. ik wil er geen controle over hebben. Het voelt heerlijk, Het voelt bevrijdend, het voelt hemels, het voelt duivels en het voelt klote. Mijn hele lichaam verstijft zich en laat los als er weer een aanval komt en weer maai ik alles van de plank wat er nog op staat. Ik voel amper dat ik in mijn broek plas van woede. Zo boos en zo geirriteerd als ik zijn kan. Ik zal die koffiepot vinden schreeuw ik en alles wat ik tegen komt klettert op de grond. Van hout tot staal en zelfs glas wat versplintert op de grond. Ik kan het niet stoppen, ik wil het niet stoppen. het enige wat ik wil is een verrekt kopje koffie. Ik voel dat al mijn spieren zich in een negatieve zin samenspannen en mijn ogen lijken wel van vuur zo woest als dat ik om me heen kijk. Ik hoor mezelf vloeken maar sla er geen acht op en maai alles van de plank wat ik tegen kom maar nog steeds geen koffiepot.

Dan besluit ik de spullen een voor een van de plank af te donderen. Er is geen andere manier. Dit is de enige manier om de koffie pot te vinden denk ik in alle redelijkheid en laat pakjes thee bewust uit mijn handen op de grond vallen. Ik trek mijn wenkbrouwen op en laat dan een paar theedoeken op de grond vallen. Ziezo zucht ik rustig maar mijn hoofd barst van de energie en ik kan elk moment door het lint gaan. Ik merk amper dat ik al zover ben dat ik eigenlijk al heen genoeg ben om me zelf door het lint te noemen. Een kopje, kebeng, boem. Ik kijk naar de scherven die zich vermengen met de chaos op de keukenvloer. Ik geniet van elk voorwerp dat valt. ik kan er niks aan doen maar het geluid is zalig en zegt precies hoe ik me voel. Ik merk niet dat het zweet langs mijn voorhoofd naar beneden glijdt en dat mijn haren blijven plakken aan mijn gezicht. ik merk niet dat Karel en Sofie zich van mij distantieren. Ik merk niet dat de buren om me heen stiller zijn geworden dan anders. Ik merk helemaal niks meer want het enige wat ik wil is koffie. Ik wil gewoon een overheerlijk vers kopje koffie. Kennelijk is dat te veel gevraagd. Ondertussen probeer ik te begrijpen wat er met me gebeurt maar geef dat maar snel op. Het enige wat ik wel weet is dat ik de negatieve energie niet kwijt kan. Ik kan het niet en het moet toch echtn naar buiten zucht ik verdrietig.

Na een halfuur vind ik de koffiepot in de oven. Precies de plek waar een koffiepot thuis hoort. Ik herinner me weer dat ik de pot daar had neergezet door ruimtegebrek op het aanrecht en de koelkast. Weer word ik er ongenadig aan herinnerd dat ik vaker zou kunnen afwassen. Ik vloek nog na en zucht als ik de troep op de keukenvloer zie liggen. Maar ik laat het maar gewoon liggen. Ik heb er momenteel geen zin in. Ik wil het niet zien dus zie ik het gewoon niet. Ik negeer het en begin met het zetten van een verse pot koffie. Eindelijk.

Als de koffie klaar is ruikt het hele huis er naar. Mmmm, ik vergeet de woede hoewel deze nog duidelijk in mijn lichaam zit voel ik me plotseling moe worden. Zo vreselijk moe dat ik er duizelig van wordt. Een verdrietig gevoel overvalt me. Het is weer gebeurd denk ik droevig. En ik ben zooooo moe. Wat me bevestigt dat ik echt koffie nodig heb. Zonder koffie ben ik immers nergens. Zonder koffie kan ik niet leven. Dat had ik uiteraard al gemerkt en zonder acht te slaan op de rotzooi op de keukenvloer loop ik naar de huiskamer. Ik wil het gekraak van gebroken glas niet langer horen. Niet langer want wat ik kapot maak moet ik zelf opruimen en daar word ik liever niet aan herinnerd.

dinsdag 13 mei 2008

HOOFDSTUK 11


HOOFDSTUK 11

DE KUS

Een plekje in de schaduw, net onder de grote boom in het park. Daar zitten we het liefst. Tim en ik. Grote bladeren beschermen ons tegen de hete ongenadige zonnestralen. Soms vraag ik me af of de zon nu onze vriend is of onze vijand omdat we ons steeds vaker tegen haar moeten beschermen. Maar onder de trouwe eikenboom zitten we gelukkig veilig.

Ondanks de schaduw onder de boom voel ik de hitte van de dag nog door mijn aderen vloeien. Ik durf amper te zuchten omdat ik bang ben dat Tim dan denkt dat ik het saai vind zo onder die grote boom maar hoe moet ik Tim duidelijk maken dat niks saai is als ik met hem ben. Ik hou er van bij hem te zijn. Overal waar we zijn.

Hier zitten we dan, op het gele kleed dat Tim van zijn oma heeft mee gekregen. Ik adem de lucht in. Ik adem alles in wat op me op komt. De vogels, en de lucht en zelfs het gras. Alles neem ik in me op maar wat ik het allerliefste ruik is Tim. Zijn zachte zoetige zweetlucht die echt nooit lijkt te stinken en zijn aftershave die ozo mannelijk en tegelijkertijd zo jongesnachtig ruikt. Ik zit zo dichtbij hem. Ik kan zijn dijen tegen de mijne voelen. Eventjes doe ik mijn ogen dicht om me nog dichter bij hem te voelen. Zo fijn zucht ik zachtjes. O zo dichtbij denk ik en ik vraag me af of Tim zich er ook zo van bewust is. Waarschijnlijk niet denk ik beteuterd.

Tersluiks neem ik Tim in me op. Hij is zo knap zoals hij daar zit met zijn spijkerbroek en zijn strakke witte shirt zo sexy om zijn stevige borst gespannen. Zijn donkere haren die afsteken tegen het lichte shirt. Onrustig probeer ik me te verzitten tegen die scherpe boomstam, maar plotseling voel ik een hevige pijnscheut door mijn rug en ik schiet als een geit naar voren. De scherpe boomstam vermoed ik. Auw verdomme scheld ik en Tim buigt zich meteen over me heen om te vragen of het wel goed met me gaat. Gaat, gaat het wel goed met je? vraagt hij bezorgd. Zijn lichtblauwe ogen kijken oprecht bezorgd en het lijkt alsof hij elk moment hulp moet gaan halen. Je ziet, ziet nogal wit Dewey fluistert hij nu nog bezorgder. Auw? vraag ik zielig en ik kijk Tim heel zielig aan. Ik beweeg me onrustig over het kleed.

Als een zielig hoopje ellende wijs ik naar mijn rug en mijn opgestoken haren zijn losgeraakt door de onverwachtse beweging naar voren. Ja auwie liefje zegt Tim maar waar doet het zeer? Hier piep ik met een klein stemmetje en probeer er met mijn hand bij te komen maar dat lukt natuurlijk niet. Even krimp ik in elkaar van de pijn als Tim zijn hand op mijn rug legt. Sorrie zegt hij, zal, zal ik even kijken vraagt hij bezorgd en ik wil ja knikken maar bedenk me even. Tim lijkt het te merken. Ik zal mijn ogen gericht houden op de wond belooft hij. Ik zal nergens anders naar kijken Dewey zegt hij en hij kijkt me lang en indringend aan. Ik twijfel even en voel me plotseling superverlegen. Ik voel dat mijn blik naar de grond glijdt Ik voel me zo verlegen.

Tim gaat achter me zitten en probeert mijn shirtje omhoog te trekken om de schade eens te bekijken op mijn rug. Als zijn handen mijn huid raken kan ik een lichte zucht niet onderdrukken. Doet, doet het pijn vraagt Tim bezorgd. Ik schud mijn hoofd maar plotseling besef ik dat ik die vreselijke afgrijzelijke roodfale BH draag waar gaten in zitten bij de sluiting op mijn rug. Mijn favoriete BH die mijn borsten zo goed ondersteunen. Die BH mag Tim onder geen beding zien. Ohw ohw ohw denk ik paniekerig.Ohw waarom heb je die zwarte niet aangetrokken Dewey? Neeeee gil ik paniekerig en duw Tim van me af.

Tim weet even niet wat hem overkomt maar kijkt me verbaasd en gekwetst aan. Heb ik je soms pijn gedaan fluistert hij zachtjes. Mm, schud ik mijn hoofd en mijn gezicht voelt heet aan. Ik voel mijn wangen rood worden vanuit mijn hals en ik had het al zo warm. Heb ik iets gedaan wat niet kon misschien vraagt Tim nu erg onzeker. Weer schud ik mijn hoofd. Nee piep ik en durf hem amper aan te kijken. Wat is er dan Dewey? Je kunt me alles vertellen zegt Tim nu zachtjes. Alles. Er valt even een ongemakkelijke stilte. Tim weet even niet waar hij moet kijken, bang dat hij iets verkeerds heeft gedaan en ik voel me zo verlegen dat ik niks meer weet te zeggen.

Ik kijk vanonder mijn wimpers naar Tim die nu is opgestaan en zenuwachtig een rondje loopt om de grote eikenboom. Oke Dewey zegt hij een moment later. Hij probeert me duidelijk aan te kijken, contact met me te maken. Wat is er vraagt hij? Maar ik voel me te verlegen om zijn blik te beantwoorden. Laat me je rug even bekijken want je hebt er duidelijk last van zegt Tim. Hij gaat weer achter me zitten en probeert mijn shirtje weer omhoog te duwen. En ik kan alleen maar aan die gruwelijke BH denken. Mijn ogen zijn stijf dicht geknepen en ik wacht gespannen op zijn reactie maar er komt niks. Geen enkele reactie van Tim. IK voel dat zijn vingers langzaam over mijn huid glijden en een lichte rilling overvalt me. Die rilling zorgt er voor dat ik die gruwelijke rode BH vergeet en mijn ogen voelen plotseling zo loom en zooo zo, ik kan het gevoel amper beschrijven. Tim zijn vingers over mijn rug voelt, voelt prettig bedenk ik me verlegen.

Het is een sneetje Dewey hoor ik Tim vanuit een vreemde soort afstand zeggen. Het bloedt wat maar het is niet erg. Je hoeft niet gehecht te worden. Wat? vraag ik afwezig. Vindt je, vindt je hem dan zo afgrijzelijk? vraag ik Tim op de man af. Ik bedoel het is een lelijk ding maar als ik had geweten dat dan had ik die zwarte aangetrokken of die witte met kant enzo maar deze zit zo lekker en ik kan er niks aan doen maar ik kan deze gewoon niet weggooien ratel ik zonder in de gaten te hebben dat Tim zijn mond open staat van verbazing.

Dewey, Deweeeeeew fluistert TIm terwijl hij voor me gaat zitten en mijn haar voor mijn ogen wegstrijkt. Dweyyyyy ben je er wel? vraagt hij zachtjes en schudt me zachtjes heen en weer. Ik weet niet meer waar ik kijken moet van pure verlegenheid. Het liefst zou ik mezelf nu verstoppen maar ik kan Tim nog heel goed horen en voelen want zijn handen branden door mijn huid. Je, je vindt hem vreselijk fluister ik verlegen. Tim kijkt me bevreemd aan. Wat vind ik vreselijk vraagt hij verbaasd. Ik zei toch dat de wond mee valt? Uh? plotseling ben ik volledig bij mijn positieven en kijk Tim recht aan. Wat? vraag ik. Je wond valt mee bevestigt hij.

Ohw, ohw maar ik dacht dat. dat je mijn BH zo vreselijk vond flap ik er uit voor ik er erg in heb. Verschrikt sla ik mijn handen voor mijn mond. Ik bedoel niet mijn BH maar iets anders, eh ik bedoelde eigenlijk, ja wat bedoelde ik eigenlijk? ratel ik in paniek. Oke ik bedoelde mijn BH en ik weet dat ding is gruwelijk. Vreselijk gruwelijk lelijk zucht ik verslagen en kijk weer naar de grond. Ik schud mijn hoofd. Mijn ellebogen rusten op mijn knieen. Tim zit nu vlak voor me en probeert me serieus te nemen maar zijn ogen lachen. Ik kan het zien want die lichtjes zijn er weer. Hij probeert duidelijk zijn lach in te houden. Met zijn handen wrijft hij zachtjes over de mijne.

Dewey, zegt hij zachtjes en strijkt door mijn verwarde haar. Ik heb dat hele ding niet gezien zegt Tim kalm en zijn lippen zijn stijf op elkaar geperst. Zijn ogen glinsteren als een grote schaterlach die gevangen zit in zijn hart. Ja lach maar zucht ik verlegen. Heb je hem echt niet gezien? vraag ik met een klein stemmetje. Ik kijk hem achterdochtig aan. Nee echt niet want de wond zit er een paar cm onder. Ik had je toch beloofd nergens naar te kijken behalve naar de wond? zegt hij. Ohw ohw echt? echt beaamt Tim en kan niet langer zijn lach in houden en proest het uit van het lachen. Je maakt me nu wel erg nieuwsgierig giert hij van het lachen. Is dat ding echt zo vreselijk? Ik knik verlegen. Ik zou bijna vragen of ik hem mag zien plaagt hij me en schatert het weer uit als hij mijn kennelijk beteuterde gezicht ziet. Ohw Dewey wat ben je af en toe ook grappig giert hij. IK kijk pissig naar hem. Fijn dat je het zo vermakelijk vindt zeg ik sarcastisch en Tim giert nog steeds.

Een minuut of vijf later is Tim eindelijk uitgelachen. Je maakt het leven leuk Dewey zegt hij plotseling na een korte stilte. Jij maakt mijn leven leuk. Hij komt dicht naast me zitten en zijn lichaam raakt het mijne. Hij kijkt me indringend aan. Jij maakt me aan het lachen zoals niemand dat kan fluistert hij. Hij schuift nog dichter naar me toe en kijkt me zo diep aan dat ik mijn blik niet meer van hem kan los maken. Niet meer wil losmaken. Je bent lief, je bent wild en ontembaar fluistert hij terwijl hij zachtjes mijn haren streelt. Ik, ik vind je lief Dewey. Mmm zucht ik terwijl ik hem aan kijk. Mijn handen kietelen en willen hem aanraken, heel erg. Ik wil zijn gezicht strelen. Ik kan het niet laten. Mijn handen leiden een eigen leven en ik voel dat mijn handen zijn gezicht omsluiten. Tim, fluister ik terug. Meen je dat? Tim knikt zachtjes. Meer dan wat dan ook zegt hij zachtjes terwijl hij mijn kin tussen zijn duim en wijsvinger neemt. ik voel zijn duim strelen langs mijn wang.

Tim buigt zich naar voren en kijkt me lang en indringend aan. Ik wil je kussen Dewey, alleen als dat van jou mag fluistert hij. Ik voel zijn adem langs mijn huid strelen en ik ben niet in staat mijn blik van hem af te wenden. Ohw zucht ik en ik ben de wereld om me heen vergeten. ik zie alleen en ik ruik alleen en ik voel alleen nog maar Tim want hij heeft zijn lippen al op de mijne gedrukt. Mmm zucht ik. Met zijn lippen drukt hij zo zachtjes en teder op de mijne dat ik er duizelig van wordt. Mijn ogen zijn gesloten maar ik kan het niet laten even te gluren of Tim zijn ogen ook gesloten heeft. Ja hoor. Mmm, zucht ik zachtjes en geniet van zijn zachte warme en ozo tedere lippen op de mijne. Alle vogels lijken te vervagen. De pijn in mijn rug lijkt plotseling verdwenen. Het gras en het gele deken onder ons tweetjes bestaat niet meer want we zweven. We zweven als twee samengesmolten geliefden op roze wolkjes.

Dan, dan laat Tim me los en kijkt me met een vreemde blik aan die ik niet goed ken. Zijn ogen zijn zo gevaarlijk donker. Ik herken die blik maar weet niet hoe ik deze moet interpeteren. Alsof, alsof hij me op wil eten bedenk ik maar ik ben er niet bang van. Het lijkt wel alsof ik precies het zelfde voel. Ohw zeg ik verlegen en maak me eindelijk verlegen los van zijn indringende blik. Tim probeert me nog eens aan te kijken maar ik voel me te verlegen. Als ik hem vanonder mijn wimpers toch aan kijkt zie ik een grote glimlach om zijn lippen. Zijn ogen lijken donkerder dan normaal maar de pretlichtjes zijn er nog duidelijk in. Een grote lieve maar zeer ervaren glimlach. Stiemem jaloers vraag ik me af hoeveel meisjes hij voor mij heeft gekust maar die gedachten geeft me een naar gevoel en ik besluit terug te glimlachen.

Zonder te praten kruip ik diep in zijn holletje weg. HIj houdt me stevig vast en ik voel me zo veilig. Zo veilig.

zaterdag 10 mei 2008

HOOFDSTUK 10

HOOFDSTUK 10

ZWEET!

Het is warm. de zwoele avondbries waait als een warme golf door het kiertje van het raam naar binnen,als een zachte streling vlak langs mijn huid. Het geeft amper verkoeling en de zon schijnt ongenadig achter de gordijnen waardoor het behang oplicht als een zonnestraal van goud. Ik lig lui met mijn volle lengte (een meter twee en vijftig en een half) languit op de bank te puffen van de hitte. Alleen water kan verkoeling brengen maar dat duurt helaas maar even. Zwemmen mag natuurlijk niet met een verstuikte enkel denk ik geirriteerd.

Ik zak iets meer onderuit op de bank en voel onmiddelijk het zweet via mijn voorhoofd naar mijn neus glijden. Ik kan verdorie ook niks doen zonder ook maar een zweetdruppel te laten zucht ik en veeg de druppel met de rug van mijn hand weg. Zo warm. Zo vreselijk warm kreun ik en durf me amper nog te bewegen. Dat wordt nog leuk vanavond denk ik zuchtend. Tim en ik gaan wandelen vanavond en wat doe ik? Zweten. Natuurlijk. (ik vergeet dat heel Nederland wegdrijft met temperaturen van 30 graden op een surfplank van hun eigen voetzolen maar dat geeft voor de rest niks hoor want de wereld draait alleen om Dewey)

Maar ik zweet namelijk altijd. Ik kan er niks aan doen maar ik zweet gewoon. Het maakt niet uit of het warm of koud is, maar ik schijn altijd te zweten. Ik zweet, Ik zweet als een, als een man. Of ik nou zachtjes en rustig loop of hard en haastig. ik zweet echt altijd. Klodders met zweet onder mijn armen. Als golven in een golfslagbad.

Al die keren dat ik een officiele afspraak had bij de tandarts, sociale dienst of zelfs een solliciatiegesprek. Geen geld voor een buskaart (vandaar die sollicitatie natuurlijk) moest ik er op die verdraaide fiets naar toe. En ja hoor daar ging ik dan op die fiets. Eerst is er nog niks aan de hand maar vijf minuten later voel ik me heel langzaam vochtig worden onder mijn armen. Het begint letterlijk in het midden onder mijn oksels. Het kriebelt lichtelijk en zelfs als ik me geschoren heb lijkt het daar te irriteren van al dat lichaamszout wat in mijn lichaam schijnt te zitten. Dan drijft het zich langzaam uit tot op mijn rug waar mijn kleding zo vies tegen mijn huid aan blijft plakken als ik mijn jas uittrek.

Tot overmaat van ramp is mijn voorhoofd aan de beurt. Druppels zweet lopen via mijn voorhoofd en via de rest van mijn gezicht naar beneden. Mijn haar is dan kleddernat en zit vastgeplakt aan mijn gezicht alsof het zo hoort. als ik er een theepot onder zou houden zou deze tot de nok toe gevuld zijn en zou ik er thee van kunnen zetten. Eerlijk waar. Heel af en toe moet ik naar het toilet om mijn BH uit te wringen en deze onder de handdroger laten drogen. Here dankzij de deodorant. Als ik dan op een afspraak moet zijn waarop je er netjes moet uitzien is dat een vreselijke domper.

Als ik een afspraak heb bij de tandarts ga ik hoe dan ook standaard met de bus. Ik kan me zijn gezicht nog goed herinneren toen ik daar aan kwam en ik in die wachtkamer ging zitten met mijn jas open en het was notabene winter. Daar zat ik in die wachtkamer waar het 20 graden was en ik had minstens min 10 nodig om af te koelen. Ik was drijfnat tot mijn slipje aan toe. En natuurlijk had de tandarts geen handdroger. Zul je altijd zien. Die blik van die tandartsassistente op mij gericht en met een groot vraagteken boven haar hoofd. Ik kan haar hersens horen kraken. Horen wat ze denkt. Miss potter die altijd van top tot teen drijfnat is door het zweet. We moeten altijd de tandartsstoel droogwrijven voor de volgende patient. Mijn taak natuurlijk als tandartsassistente. Tja kan ik er wat aan doen dat ik zoveel zweet. Ik vind het ook vreselijk. Niks aan te doen.

En dan die genadeloze blik van die tandarts die me van top tot teen bekijkt. en me gebaart in de stoel te gaan zitten. zijn grote donkere bruine ogen die me altijd indringend opnemen. En ik die altijd zenuwachtig word onder zijn blik want ik haat tandartsen. Ik haat ze echt. Ik ben er bang voor. Ik ben bang voor hem. Ik durf te wedden dat de tandarts in gedachten een knijper op zijn neus heeft om mijn lichaamsgeur te verdringen. Mijn mond kan echter niet zweten en is bovendien altijd netjes gepoetst.

En als ik dan weg ga en de tandarts is klaar met me dan moet ik tot overmaat van ramp gaan staan en iedereen ziet die vochtige ronde plek op het zitvlak van de stoel en een grote druppel water langs de rugleuning naar beneden glijden. Als ik dan weer om me heen kijk hoor ik ze weer denken, via hun gezichten. Miss Potter is weer geweest. In gedachten zie ik dat ze zodra ik weg ben een handoek pakken en ontsmettingsmiddel om alle resten van mij te verwijderen. Ik moet echt minder gaan zweten. IK moet drastisch minder gaan zweten bedenk ik me wanhopig terwijl ik me omdraai op de bank en ik voel een druppeltje zweet langs mijn voorhoofd naar beneden glijden.

woensdag 7 mei 2008

HOOFDSTUK 9


HOOFDSTUK 9

TROEP!!!

Als ik om me heen kijk zie ik een en al troep. Gelukkig heb ik nergens last van. Natuurlijk zie ik hier en daar wat op de grond liggen en stinkt het in huis maar voor de rest valt het toch wel mee? Ik bedoel maar. Die paar sokken die op de grond liggen en al die kattenharen die verteren tot kleine wolkjes stof? Mmm, valt hartstikke mee. Eigenlijk heb ik nergens last van. Ik voel me goed en ik negeer de eigenlijke chaos in huis. Ik zie niet hoe zwart mijn voeten zijn als ik met blote voeten over mijn vervuilde vloeren loop. Er is immers niks aan de hand. Oke, het is wel eens niet altijd opgeruimd in huis maar wat is eigenlijk het probleem?

Oke oke, ik ben zo nu en dan iets kwijt, So what??? Tja alleen Dewey Potter kan haar pinpas en haar identiteitskaart tegelijk verliezen maar wat is dan het probleem? Ik bedoel, zo erg is het toch niet dat ik dan geen centjes kan opnemen? Hoef ik in elk geval geen boodschappen te doen. Daar heb ik echt een graf graf en nog eens een grafhekel aan denk ik mopperend. Ik voel mijn ademhaling versnellen als ik aan boodschappen denk. Ik bries nog net niet als een stier.

Ik geef het toe, het is een regelrechte ramp, in mijn hoofd, in mijn lijf en zelfs in mijn woning. Ik kan er niks aan doen maar het is er gewoon smerig en opruimen lijkt geen oplossing. Het is alles weggooien of gewoon laten liggen bedenk ik me. Ik kijk de huiskamer eens goed rond en strijk zuchtend mijn haren naar achteren. Mijn ogen glijden van de ene hoek naar de andere. Pfffffffff, wat een teringzooi, zucht ik vermoeiend. Hier kom ik echt nooit doorheen.

Zo kan ik Tim niet binnen laten bedenk ik beschamend als ik overal slipjes zie liggen door de huiskamer en een stoffer en blik liggen onder de tafel alsof ze daar horen. Althans, zo lijkt het want alles wat een plekje heeft ligt niet waar het hoort. Het begint er op te lijken dat chaos het enige is waarvan ik zeker weet dat het zo hoort. Alsof het vergroeid is met mij. Het hoort bij mij. Tegelijk bedenk ik me eveneens dat ik mezelf verafschuw dat ik zo ben en zo beslist niet wil zijn. Zal ik ooit een huisvrouw worden? vraag ik me af.

Wanhopig zoek ik met mijn krukken de bank achter me en plof neer en probeer overzicht op de rommel in de huiskamer te krijgen. Wie hou ik voor de gek? vraag ik me zuchtend af. Sofie die ook op de bank ligt komt naar me toe en geeft me een knipoog alsof ze voelt dat ik me wanhopig voel. Ik kijk nog eens goed rond en besluit dat ik het niet wil zien. Ik wil het niet. Ik wil het echt niet. Demonstratief sluit ik mijn ogen maar achter mijn ogen zie ik de troep nog steeds. Het is er niet Dewey dreig ik in mijn hoofd. Natuurlijk is het er niet. Maar uiteraard is het er wel. Ik hoef alleen mijn ogen maar open te doen en het is er weer.

Het gekke van alles is dat ik niet eens op het idee kom om het echt op te ruimen. Eigenlijk is het wel prima zo. Ik vind het zlefs prettig. Ja prettig. Ik struikel nooit over mijn eigen rotzooi (dagelijks natuurlijk) en bovendien wordt er in dit huis hartstikke geleefd.

Neem nou bijvoorbeeld de keuken, he? Ik bedoel maar, iedereen heeft toch een grafhekel aan afwassen? Niet waar? Wat is daar nou zo vreemd aan? Oke, dat ik de afwas soms weken laat staan en dat het daardoor vanzelf wegloopt is eigenlijk wel een beetje eigenaardig geef ik schoorvoetend toe. En dat je eten ruikt van 3 weken geleden wat gaat ruiken naar rotte eieren is ook wel een beetje vreemd zucht ik.

Verdrietig schud ik mijn hoofd. MIjn rode haar valt als een golf voor mijn ogen. Ik voel het kriebelen tegen mijn gezicht en strijk het achter mijn oren. Sofie ligt op mijn buik en knippert vriendelijk met haar ogen. Alsof ze zeggen wil, het geeft niet Dewey, ik vind het niet erg dat het een troep in huis is. Ik geef Sofie een zachte aai achter haar oor waardoor ze onmiddelijk luid begint te spinnen. Dank je wel girlfriend fluister ik haar zachtjes toe.

Wat is er toch mis met mij? vraag ik me af. Wat is er toch dat ik het zo moeilijk vind om die rotzooi op te ruimen. Ik zucht en wil niet langer om me heen kijken. Ik wil het niet. Ik sluit mijn ogen.

Er rijst een beeld voor mijn ogen op dat ik niet zien wil maar het gebeurt. Dewey aan de grote schoonmaak. Vreselijk maar waar. Als ik ga schoonmaken moet je je bergen want je struikelt of je zit klem met je vingers tussen de teil en het aanrecht tijdens het afwassen.

Zo is het me vaker overkomen dat ik wilde dweilen en dat ik met de mop de emmer omstootte. De hele huiskamer veranderde in een groot zwembad en het was zo glad dat je je wel moest vasthouden aan de meubels. Het warme gladde dweilwater onder me voeten voelde vreemd prettig aan moet ik toegeven en de vloer is nog nooit zo schoon geweest als toen maar alle dingen die op de grond lagen moesten het ook ontgelden. Tja, daar had ik natuurlijk geen rekening mee gehouden. Gesmolten pastelkrijt en slipjes die overal op de vloer lagen en geruineerde tekeningen en een regenboog aan kleuren door het pastelkrijt op de vloer.

Ohw het lijkt wel een puinhoop in mijn hoofd als er iets dat ik moet doen. Voor de supermarkt maak je een boodschappenlijst maar wat doe je met schoonmaken? Ik lijk altijd van de ene kant naar de andere kant van het huis te rennen met emmers vol sop die ik omstoot of stoffer en blik die ik beneden heb laten liggen. Ik vergeet dingen of ik doe juist te veel maar het is altijd overmoedig wat ik doe, of ik doe het niet.

Ik ben vooral een ster in het doen van alles tegelijk. Dat kan ik het allerbeste. Als ik dat doe denk ik vaak dat ik dan goed bezig ben. Ondanks de onrust in mijn kop geef ik mezelf contstant complimentjes en voel ik me trots dat ik het allemaal maar even doe maar als ik dan klaar ben zie ik dat de helft bij lange na nog niet is opgeruimd omdat ik op zijn minst de helft vergeten ben op te ruimen. Het lijkt er op dat ik overal aan begin zonder ook maar eerst iets af te maken. En dan probeer ik mezelf wijs te maken dat het voor de afwisseling is om het huishouden niet saai te maken maar eigenlijk is het huishouden altijd saai. Wie hou ik eigenlijk voor de gek?

Misschien toch wat hulp Dewey? klinkt het irritante stemmetje weer in mijn hoofd. Ik zucht en afwezig streel ik de zachte vacht van Sofie. Ohw Sofietje, wat, wat moet ik nou? Mijn hoofd is een puinhoop, mijn lijf kent geen rust en het huishouden is al helemaal een puinhoop. Sofie spint rustig door en ik word er op een vreemde manier rustig van. Ik hou er van om te luisteren naar het gesnor van Karel en Sofie. Het geeft me een vredig thuisgevoel.

Gelukkig kan ik dat nog wel voelen, ondanks de troep bedenk ik me grinnikend. En wat voor een thuis? Ik denk dat hulp nog niet eens zo,n gek idee is bedenk ik me plotseling in alle redelijkheid. Misschien, heel misschien zou het geen gek idee zijn. Maar dan bedoel ik ook heel erg misschien.

vrijdag 2 mei 2008

HOOFDSTUK 8


HOOFDSTUK 8

UIT!!!

De zomerzon komt nu vollop door als we bij Cafee Free Bird parkeren. De regen eerder lijkt te zijn vergeten en het zonnetje lijkt me toe te lachen. Alsof ze weet dat alles goed komt vanavond. Ik voel me vreemd rustig als Tim de deur voor me open houdt van zijn auto ( een Honda Cific) Alles moet gewoon goed komen denk ik heel lichtelijk nerveus maar ik heb mezelf volledig onder controlle. Tim lacht vriendelijk naar me en steekt me mijn krukken toe. Ik fluister zachtjes een dank je wel als hij me arm vastpakt en me de lage Honda uit helpt.

Boven de ingang van het cafee flikkert een bord met de naam van het cafee. Cafee Free Bird. Flinke rode letters die reflecteren in het zonlicht. De schemering zal pas tegen het einde van de avond vallen. Als het donker is zal het er vast heel anders uitzien denk ik bij mezelf. Bijna sinister misschien als een ufo ofzo in het donker. Ik huiver bij de gedachten.

Tim houdt de deur galant voor me open en helpt me voorzichtig naar binnen. Ik vind het heerlijk zijn handen te voelen op mijn huid denk ik verrukt maar ben bang dat Tim er achter komt hoe prettig ik dat vind. Even voel ik weer die warmte naar boven stijgen maar hou mezelf goed onder controlle. Een zucht kan ik echter niet onderdrukken als ik zijn handen voel. Tim kijkt me even vreemd aan maar vraagt verder niets. Gelukkig niet denk ik blozend. Hij glimlacht alleen maar en dat doet ie zo liefffffff zwijmel ik.

Binnen is het donker en gezellig. Het ruikt er naar rook en bier. Precies zoals een cafee hoort te ruiken denk ik. Er zitten een paar mensen aan de bar met elkaar te praten en ik vraag me af of Tim zijn vrienden er al zijn. Tim kijkt eveneens rond maar ik zie geen spoor van herkenning in zijn gezicht. Ze zijn er nog niet zegt hij alsof hij mijn gedachten kan lezen. Ohw reageer ik alsof ik niet nerveus ben en hinkel achter hem aan naar het tafeltje achter in.

Kunnen je vrienden je hier wel vinden vraag ik terwijl ik een losgeraakte pluk haar achter mijn oren strijk. Ik bedoel, we zitten zover achterin. Ohw ja wel antwoordt Tim, we zitten altijd hier en hij geeft me een supersexy knipoog. Mmm, lach ik lief naar hem.

Werk je al lang in het pannekoekenhuis vraag ik na een korte stilte. Nee niet heel lang antwoordt hij. Een maand of 2 denk ik. Hij pakt een filter van de tafel en tikt er zachtjes mee tegen het tafelblad. Vindt je het werk leuk om te doen? Tim lacht breeduit. Hij vindt het duidelijk erg leuk dat ik naar zijn werk vraag. En ik wil immers alles van hem weten.

Tim vertelt me alles over zijn werk tot er een kale jonge man naar ons toe komt lopen met een rode theedoek over zijn linkerschouder gedrapeerd. Ha tim lacht hij. Tim lacht breeduit bij de herkenning van zijn vriend Timon en staat op om zijn vriend een klap op zijn schouder te geven. Timon doet het zelfde zoals oude vrienden elkaar begroeten.

Dan kijkt hij naar mij, Timon, dit is Dewey, ze is een nieuwe vriendin van me stelt hij me spontaan aan deze kale biljardbal voor. God wat is ie kaal denk ik bij mezelf. De lamp van ons tafeltje schijnt precies op zijn kale hoofd en weerkaatst tegen het plavond. Met moeite moet ik mijn lachen inhouden maar het lukt me prima. Hallo roodharige schoonheid zegt hij lachend. Ik voel mijn hart kloppen in mijn keel en weet gewoon niet hoe ik moet reageren. Ik ben geen mensen om me heen gewend. ik ben veel te vaak alleen. Ik besluit alles over me heen te laten komen en knik naar hem.

Jij bent dus Dewey? Ik knik verlegen en weet even niks te zeggen, maar ik weiger weg te kijken en blijf hem aankijken. Eigenlijk ben ik niet verlegen maar superonzeker. Mijn hart bonkt in mijn keel. Timons ogen lachen uitdagend en erg vrolijk. Zijn ogen nemen me volledig op maar niet op een vervelende manier. Bijna flirterig als ik niet be, beter, Je flirt met me zeg ik dan plotseling. Timon schiet in de lach. Oja dat heb je goed gezien jonge dame zegt hij. Je bent een mooie vrouw jonge dame fluistert hij zachtjes in mijn oor. Dan schiet ik in de lach. Nouja, dank je wel grinnik ik en kijk dan naar Tim die plotseling erg stil is geworden.

Als ik wil vragen of het wel met hem gaat besef ik me plotseling dat hij jaloers is. Zou, zou hij jaloers kunnen zijn vraag ik me af. het gevoel dat hij jaloers zou kunnen zijn geeft me vreemd genoeg prettige kriebeltjes in mijn buik. Niet dat ik het leuk vind dat hij jaloers is maar het idee dat hij misschien meer voor me zou kunnen voelen dan alleen, alleen vriendschap. Ik glimlach en vraag em af of ik hem daarmee zal plagen maar besluit om het niet te doen. Ik wil Tim niet in verlegenheid brengen. Dat, dat kan ik niet.

Tim lijkt me opzettelijk te negeren tot dat hij me na vijf minuten plotseling recht aan kijkt. Hij kijkt vragend verlegen. Ik kijk hem eveneens vragend aan en in zijn ogen zie ik een dringende vraag die ik niet kan inschatten. Ik zie dat zijn mond beweegt maar er komt geen geluid uit. Zijn voeten bewegen onrustig onder de tafel hoor ik. Een zacht geschuifel over de houten vloer.

Tim? vraag ik zachtjes, wil, wil je me soms wat vertellen. Tim hoort de vraag niet en knippert met zijn ogen. Mmm? murmelt hij, eh nee hoor zucht hij en kijkt dan onzeker maar vastberaden van me weg. Ohw, zucht ik teleurgesteld. Het leek alsof je me een belangrijke vraag wilde stellen. Tim schudt ontkennend zijn hoofd, nee hoor meisje zegt hij vriendelijk en pakt dan mijn hand vast en streelt er zachtjes en heel teder over. Met een lieve knipoog laat hij me los. Ohw fluister ik en bekijk hem onderzoekend.

Een moment later Tim lijkt vergeten te zijn dat hij op het punt stond om iets te vragen en geeft Timon een teken dat we iets te drinken willen bestellen. Ik hou me bewust op de achtergrond.

Ik probeer rustige slokjes te nemen van mijn ijskoude glas met melk maar eigenlijk zou ik het glas zo ontzettend graag naar achteren willen gieten alsof ik de laatste 10dagen niks gedronken heb gewoon maar ik hou me in ter wille van mijn goede indruk op Tim. Ten eerste was Tim al verbaasd dat ik melk bestelde in plaats van bier of thee zoals alle vrouwen doen. Maar nee hoor, ik wil melk. Oei Dewey, verkeerde zet, je volgende rondje wordt een biertje.

Wat is dat toch met die melk vraag ik me in stilte af. Wat is er zo bijzonder aan melk dat ik zelfs melk wil drinken op een avondje uit met Tim. Ik merk amper dat mijn ogen zich langzaam tot spleetjes knijpen en dat ik mijn glas eerder leeg heb dan ik had gewild. Melk is zoet, melk is romig en melk is gezond som ik in gedachten op. Melk is wit en het liefst zou ik er in willen zwemmen. Een melkbad, oja zucht ik in mijn wilde fantasie. In gedachten zie ik mezelf rondjes zwemmen en spartelen in een bad vol met geitenmelk. Cleapatra zwom in karnemelk toch? Zo raar is dat toch niet? Bovendien nog goed voor je huid ook grinnik ik zachtjes en besef dan dat ik dit hardop gezegd moet hebben.

Ploteling voel ik een gerichte blik op mij en doe verschrikt mijn ogen open. Dewey? vraagt een stem, gaat het wel goed met je? De stem klinkt nogal van ver, een teken dat ik mijn fantasie nog niet goed kan loslaten. Het gezicht is nu dicht bij mij. Mmm? murmel ik, Tim? Dan voel ik een enorme blos opkomen. Ik besef dat ik mezelf weer flink voor aap aan het zetten ben. Ja, ja wel stotter ik verlegen. Ik was zo , zo in gedach, gedachten dat ik vergat waar ik was en toen toen zwom ik ineens in een zwembad vol melk en toen kwam ik op het idee dat het absoluut niet slecht is voor je huid en nu zet ik mezelf flink voor aap, eindig ik droevig als ik naar Tim zijn verbaasde blik kijk.

Mijn hoofd hangt verlegen naar beneden. Maar geloken kijk ik toch naar Tim in de hoop dat ie me niet raar vindt. Ohw zegt hij alleen maar. Ohw, oke, zegt hij nuchter en haalt zijn schouders op. Even is het stil en lijkt het alsof hij niet weet hoe hij moet reageren. Plotseling begint hij te lachen. Maffe fantasien heb jij ook af en toe Dewey lacht hij en geeft me spontaan een kus op mijn wang. Mag ik met je mee vraagt hij na een paar minuten stilte. Zijn gezicht is vlak bij het mijne. Waar, waar naar toe vraag ik en besef dat zijn gezicht heel dicht bij het mijne is. Zijn ademhaling streelt mijn wang. Zijn zacht zoete aftershave dringt mijn neugaten binnen. Ik sla mijn ogen zachtjes neer en ik voel mijn wimpers zachtjes kriebelen tegen mijn huid. Lange wimpers fluistert Tim, in het melkbad bedoelde ik fluistert hij verder. Het zou zalig zijn te zwemmen in een melkbad met jou.

Ik durf mijn ogen amper op te slaan maar doe het toch. Ik moet zien of hij me nou belachelijk maakt of niet maar geen spoor van enige bespotting in zijn gezicht te vinden. Bloedserieus lijkt hij. Mmm, echt waar? vraag ik zachtjes. Tim knikt, echt waar beaamt hij glimlachend en geeft me een tikje op mijn neus. Je bent grappig lacht hij. Dank je wel fluister ik verlegen en kan een grinnik niet onderdrukken. Dat hoor ik wel vaker zeg ik. Dan moet Tim weer lachen. Ik vind je lief en grappig zegt hij en kijkt me guitig aan. Nou dank je wel grinnik ik terug, allang blij dat Tim me wel grappig vind. Dat geeft me een zekerder gevoel om nog meer mezelf te zijn. hij kijkt me nog even glimlachend aan en neemt dan nog een slokje van zijn biertje.

Ondertussen voel ik een paar ogen in me rug prikken. En wel zo erg dat het kietelt en ik achterom moet kijken om te ontdekken wie mij zo intens observeert. Langzaam draai ik me om en kijk dan recht in de meest ijzigblauwe ogen die ik ooit gezien heb. Wauw denk ik, wat een ogen, ze zijn nog blauwer en lichter dan die van Tim denk ik verbaasd. Ze zwaait onze kant uit zie ik en ontdek dat zij en Tim elkaar kennen. Tim zwaait lachend terug. Ze is bezig haar jas uit te trekken zie ik en hoor Tim naast me zeggen, dit is Hollie. Ik hoor hem amper want ik ben echt bezeten door de schoonheid van dit abnormale mooie kind. Blonde pijpenkrullen omlijsten haar kleine ronde gezicht en haar figuur is zo perfect dat ze wel uit een lingeriereclame lijkt te zijn gelopen.

Als ze dichterbij komt bestudeer ik haar zo onopvallend mogelijk. Hai Tim hoor ik haar zeggen. Haar stem klinkt vriendelijk als die van een engel, zachtjes maar duidelijk. Ze geeft Tim een enorme pakkerd op zijn wang en ik voel een lichte jaloersie opstijgen maar kan deze Hollie niet haten want ze is zo vreselijk vriendelijk. Dit, dit is Hollie stammelt Tim verlegen en kijkt naar mij en dan kijkt hij naar Hollie, Hollie dit is Dewey. Ohw hallo Dewey glimlacht Hollie vriendelijk, hai, jij bent dus Dewey he? Ik zie haar perfecte witte tanden als ze lacht en ze glimlacht een glimlach die haar ogen bereiken. Een teken van oprechtheid bedenk ik.

Komt Peter niet vandaag vraagt Tim na een korte stilte en Hollie knikt, oja, hij zoekt een plekje voor de auto lacht ze en ze kijkt mij veelbetekenend aan. Mannen en hun auto,s altijd lacht ze. Mmm knik ik alsof ik weet hoe dat gaat. Wat is dit een schoonheid bedenk ik me als ik Hollie vanuit mijn ooghoeken bestudeer. Ze is prachtig. Plotseling voel ik me wat onzeker in haar aanwezigheid. Haar kledig is onberispelijk en haar gezicht is zo zo puur en vriendelijk. Mijn gezicht is zo vreselijk gewoon bedenk ik me droevig. En dan dat haar dat er uit ziet als peen, zucht ik zachtjes. En die vreselijke sproeten.

Dan word ik uit mijn negatieve gedachten gehaald door zware voetstappen over de houten vloer van het cafee. Ze komen deze kant uit en ik kijk knipperend naar de deur. Een grote jongen met donkere stekels komt onze kant uit. Dat moet Peter zijn bedenk ik me in lichte paniek. Leuke jongen om te zien denk ik. Donkere stekels en donkerbruine ogen die naar mijn idee heel zwoel en sexy kunnen kijken. Maar hij is lang zo leuk niet als Tim bedenk ik me als ik even naar Tim kijkt die opstaat om Peter een dikke schouderklop te geven.

Twee oude vrienden lach ik bij mezelf. Ik voel me onzekerder worden met Peter en Hollie in de buurt, die gezellig babbelend aanschuiven en bij Timon die ondertussen ook deze kant is uit gekomen om de bestelling op te nemen. Een moment later kijkt Peter naar mij en schuift gezellig naast Hollie. Hai jij bent Dewey dus he? lacht hij vriendelijk. Ben jij Tim,s nieuwe vlam? Ik bloos bij de gedachten en glimlach omdat ik niets anders weet te zeggen of te doen. Eh stotter ik en Peter schiet in de lach. Ik maak maar een grapje grinnikt hij en knipoogt naar me. Ik durf Peter niet aan te kijken of niks te zeggen uit anggst dat hij me al meteen gek vindt. Ohw maar dat had ik allang in de gaten lieg ik en kijk hem aan alsof ik dagelijks grapjes maak. Er valt een ongemakkelijke stilte.

Na de stilte kan ik mijn grote mond natuurlijk niet houden en flap ik er een misschien is Tim wel mijn nieuwe vlam uit. Natuurlijk zondert na te denken, uit het niets, uit de donkerte van mijn impulsieve geest. Ik bedoel, waarom moet het meisje altijd de vlam zijn in plaats van andersom vraag ik wat verontwaardigd. Ik voel dat ik mijn wenkbrauwen optrek. De woorden zijn er al uit voor ik er erg in heb en de stilte aan het tafeltje is niet te beschrijven zo ongemakkelijk stil. Tim bloost zoals ik het hem nooit eerder heb zien doen en Peter en Hollie kijken elkaar aan. Ik voel me plotseling heel ongemakkelijk worden en ik speel met het filtertje waar Tim eerder mee op de tafel tikte.

Ik heb me nog nooit zo onzeker gevoeld. Ik kijk naar het filterjte en van het filtewrtje van uit mijn ooghoeken naar Tim die zich kennelijk heel ongemakkelijk voelt. Ohw Dewey vermaan ik mezefl in gedachten. Nu vindt niemand je meer aardig. Kinderachtige doos. Ik durf niemand aan te kijken.

Dan begint Peter onwijs hard te lachen. Ha ha, schatert hij, wat een meid is dat giert hij en geeft Tim een harde klap op zijn schouders. God wat een humor en verrek dat ze gelijk heeft giert hij. Hollie schiet ook in de lach. Inderdaad meid zegt ze met een knipoog naar mij. You go girl. Zo had ik het nog nooit bekeken. Ik voel me een stuk lichter en kijk van onder mijn wimpers naar Tim die nu vaag glimlacht. Oei Dewey waarschuw ik mezelf in stilte. Pas op met wat je zegt. Pas toch op met wat je zegt. Er is nog niks kapot zuchgt ik opgelucht in gedachten. Nu ben ik nog leuk maar later als ze me echt kennen weten ze wel beter en zullen ze me al snel negeren. Dat, dat weet ik gewoon uit purew ervaring zucht ik droevig. Hoofdschuddend schud ik mijn hoofd. Het gebeurt vanzelf. Ik kan er niks aan doen. ja mijn mond houden is het beste maar dan vraagt men altijd waarom ik toch zo stil ben.

Natuurlijk kon het niet uitblijven dat ik zoals altijd zeg wat ik denk. En natuurlijk gebeurde dat wel vaker die avond. Maar ik geloof dat Tim zijn vrienden me wel mogen. Dat wel. Maar op de een of andere manier kon ik me toch niet goed ontspannen. Tim zijn vrienden zullen me nooit begrijpen. Maar wie wel? vraag ik me af. Wie wel? Ik begrijp mezelf amper.